๐Ÿง  Biologie โ€” Waarnemen en Gedrag

Studiegids Hoofdstuk 5 ยท HAVO / VWO

๐Ÿ’ก

5.1 Waarom reageer je zoals je reageert?

Gedrag, prikkels, bewust & onbewust

Wat is gedrag in de biologie?

Bij biologie is gedrag veel breder dan "je netjes gedragen". Het gaat om alles wat je doet.

Must know โ€” Definitie
Gedrag = alles wat je doet in reactie op je omgeving of op je eigen lichaam.

Gedrag komt tot stand door:

Bewust, onbewust & reflex

Bewust gedrag
Je denkt na over hoe je ergens op reageert. Je neemt een bewuste beslissing.
Onbewust gedrag
Het gaat automatisch, je denkt er niet over na.
Reflex
Een snelle, automatische reactie vanuit je lichaam ter bescherming. Je hebt hier helemaal geen invloed op โ€” volledig onbewust.
Voorbeelden โ€” bewust of onbewust?
  • Na lang twijfelen koop je een felgekleurde sweater โ†’ bewust
  • In een winkelcentrum lopen mensen op de maat van de muziek โ†’ onbewust
  • Je krijgt kippenvel en je haren gaan overeind staan โ†’ reflex
  • Je vangt een bal โ†’ onbewust (aangeleerd, gaat automatisch)
  • De bel gaat en je pakt je tas โ†’ onbewust
  • Iemand om je heen gaapt, jij ook โ†’ onbewust
  • Je ruikt frietjes en er wordt speeksel aangemaakt โ†’ reflex

Functies van gedrag

Leren
Door ervaringen nieuwe kennis opdoen waardoor je gedrag kan veranderen.
Communiceren
Een boodschap overbrengen op iemand anders. Niet alleen praten โ€” ook met je handen of lichaamshouding.
Sociaal gedrag
Gedrag tussen soortgenoten. Jij reageert op wat anderen doen en zij reageren weer op jou.
โšก

5.2 Zintuigen en zenuwstelsel

Hoe prikkels worden waargenomen en verwerkt

Het zintuigstelsel

Met zintuigen neem je prikkels uit de omgeving waar. Voor verschillende prikkels heb je verschillende zintuigen.

Must know โ€” De 5 zintuigen en hun prikkels
๐Ÿ‘๏ธ
Ogen
licht
๐Ÿ‘‚
Oren
geluid
๐Ÿ‘ƒ
Neus
geur
๐Ÿ‘…
Tong
smaak
โœ‹
Huid
tast, temperatuur, pijn
De 5 zintuigen en hun prikkels

De 5 zintuigen: lichtprikkel (oog), geluidsprikkel (oor), geurprikkel (neus), smaakprikkel (tong), warmte-/koude-/tastprikkel (huid)

Must know โ€” De route van een prikkel
Zintuigstelsel (prikkel opvangen) โ†’ Zenuwstelsel (signaal doorgeven) โ†’ Spierstelsel (actie uitvoeren)
Zintuigen
Orgaantjes waarmee je informatie vanuit je omgeving en je lichaam waarneemt.
Impuls
Een signaal dat doorgegeven wordt door zintuigcellen en zenuwcellen.

Het zenuwstelsel

Het zenuwstelsel bestaat uit drie onderdelen:

Hersenen
Verwerken impulsen en sturen het lichaam aan.
Ruggenmerg
Een dikke bundel van lange uitlopers van zenuwcellen. Verbindt de hersenen met het lichaam en geeft impulsen door.
Zenuwen
Verbinden het centrale zenuwstelsel met organen en weefsels.
Must know
Centraal zenuwstelsel = de hersenen + het ruggenmerg samen. Via zenuwen verbonden met de rest van het lichaam.

De drie delen van de hersenen

Hersenstam
Verbindt het ruggenmerg met de rest van de hersenen. Regelt ademhaling, hartslag en lichaamstemperatuur. Doet dit zelfstandig (je hoeft er niet over na te denken!).
Kleine hersenen
Stemmen alle spierbewegingen precies op elkaar af. Hierdoor kun je ingewikkelde bewegingen maken โ†’ fijne motoriek.
Grote hersenen
Bestaan uit een linker- en rechterhelft. Verwerken informatie van alle zintuigen waar je je bewust van bent: denken, waarnemen, geheugen, emoties, spierbewegingen.
Ezelsbruggetje
Hersenstam = automatische piloot (ademhaling, hartslag โ€” je hoeft er niet over na te denken).
Kleine hersenen = coรถrdinator (fijne motoriek, balans).
Grote hersenen = de baas (bewust denken, voelen, beslissen).
๐Ÿ”—

5.3 Zenuwcellen en impulsen

Neuronen, reflexen & eenvoudig vs. ingewikkeld zenuwstelsel

Drie soorten zenuwcellen (neuronen)

1
Gevoelszenuwcellen โ€” Ontvangen impulsen van zintuigen en geven deze door aan de schakelzenuwcellen.
โ†“
2
Schakelzenuwcellen โ€” Ontvangen impulsen van gevoelszenuwen en sturen ze naar de juiste plek in het zenuwstelsel. Geven door aan andere zenuwcellen.
โ†“
3
Bewegingszenuwcellen โ€” Ontvangen impulsen van schakelzenuwcellen en geven deze door aan spiercellen (spiervezels). De spieren trekken samen of ontspannen โ†’ actie!
Must know โ€” Functies van zenuwcellen
Alle zenuwcellen hebben drie functies: impulsen ontvangen, impulsen verplaatsen en impulsen doorgeven.
Schema samenwerking zenuwcellen

De weg van een prikkel: zintuigstelsel โ†’ zenuwstelsel (gevoels โ†’ schakel โ†’ bewegingszenuwcellen) โ†’ spierstelsel โ†’ actie

Reflexen

Must know โ€” Definitie
Een reflex is een snelle, automatische reactie ter bescherming tegen (ernstige) verwondingen.

De weg van een refleximpuls:

1
Gevoelszenuwcel vangt de prikkel op.
โ†“
2
Via de schakelzenuwcel in het ruggenmerg gaat de impuls DIRECT naar de bewegingszenuwcel. De impuls neemt een korte weg โ†’ snelle reactie!
โ†“
3
Bewegingszenuwcel zorgt voor de actie (bijv. hand wegtrekken).
Let op!
Tegelijk gaat er vanuit het ruggenmerg ook een impuls naar de hersenen. Die verwerken de informatie en dan voel je de pijn. Maar de reflex is al uitgevoerd vรณรณrdat je de pijn voelt โ€” dat is het hele punt!
De weg van een reflex

Reflexboog: hitte โ†’ gevoelszenuwcel โ†’ schakelzenuwcel in ruggenmerg โ†’ bewegingszenuwcel โ†’ spier (hand wegtrekken). Tegelijk gaat er een impuls naar de hersenen (pijn).

Eenvoudig vs. ingewikkeld zenuwstelsel

Eenvoudig zenuwstelsel

Dieren met een eenvoudige leefwijze zoals kwallen, neteldieren en anemonen. Het voedsel komt vanzelf voorbij drijven โ€” ze hoeven niet te jagen.

Geen hart, botten, longen of hersenen. In plaats van een centraal zenuwstelsel hebben ze een fijnmazig netwerk van zenuwen door hun hele lichaam.

Ingewikkeld zenuwstelsel

Dieren met een ingewikkelde leefwijze zoals een orka. Die moet jagen, prooi vangen, communiceren en nadenken.

Hiervoor is een ingewikkelder zenuwstelsel met hersenen nodig.

Must know
Hoe ingewikkelder de leefwijze van een dier, hoe ingewikkelder het zenuwstelsel moet zijn.
๐Ÿ‘๏ธ

5.4 Zien

Bouw van het oog, accommoderen, bijziend & verziend

De weg van het licht

1
Licht valt op lichtgevoelige cellen (zintuigcellen) in je oog.
โ†“
2
De zintuigcellen zetten de lichtprikkels om in impulsen.
โ†“
3
Via de oogzenuw komen de impulsen in je hersenen.
โ†“
4
Je hersenen verwerken de impulsen en maken er een beeld van โ†’ je ziet het bewust.
De weg van het licht naar het oog

Licht van een voorwerp valt via de lens op het netvlies, waar een omgekeerd beeld wordt gevormd

Bouw van het oog โ€” buitenkant

Harde oogvlies
De stevige, witte buitenlaag. Beschermt het oog.
Hoornvlies
Zit aan de voorkant โ€” daar is het harde oogvlies doorzichtig. Laat het licht door.
Oogspieren
Draaien je ogen in verschillende richtingen zodat je alle kanten op kunt kijken.
Oogzenuw
Stuurt informatie van het netvlies naar de hersenen.
Buitenkant van het oog

Buitenkant oogbol: wenkbrauw, harde oogvlies, hoornvlies, wimper, oogspieren en oogzenuw

Bouw van het oog โ€” binnenkant

Pupil
De opening waardoor licht het oog binnenkomt. Wordt groter of kleiner โ†’ pupilreflex.
Iris
Het gekleurde deel van het oog. Regelt de grootte van de pupil.
Ooglens
Buigt het licht zodat er een scherp beeld op het netvlies valt. Kan van vorm veranderen (accommoderen).
Glasachtig lichaam
Geleiachtige vulling van het oog. Houdt het oog in vorm en laat licht door naar het netvlies.
Vaatvlies
Laag met bloedvaten tussen het harde oogvlies en het netvlies. Voorziet het oog van voedingsstoffen.
Netvlies
Bevat de lichtgevoelige zintuigcellen (kegeltjes en staafjes). Hier wordt het beeld opgevangen.
Blinde vlek
De plek op het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat. Hier zitten geen zintuigcellen โ†’ je kunt hier niet zien.
Doorsnede van het oog

Doorsnede oog: harde oogvlies, vaatvlies, netvlies, glasachtig lichaam, kringspier, hoornvlies, pupil, ooglens en iris

Pupilreflex โ€” grote en kleine pupillen

๐ŸŒ™ Weinig licht (donker)

Pupil wordt groter โ†’ laat meer licht binnen zodat je beter kunt zien.

โ˜€๏ธ Veel licht (fel)

Pupil wordt kleiner โ†’ beschermt het netvlies tegen te veel licht.

Onthoud
De pupilreflex is een reflex โ€” het gaat automatisch, zonder dat je erover nadenkt. De iris regelt de grootte van de pupil.
Grote en kleine pupillen

Minder licht โ†’ grote pupil (links) | Meer licht โ†’ kleine pupil (rechts)

Accommoderen

Must know
Accommoderen = de ooglens verandert van vorm zodat je scherp kunt zien.
  • Veraf kijken โ†’ ooglens is minder bol (platter)
  • Dichtbij kijken โ†’ ooglens is boller
Accommoderen - kringspier ontspannen en aangespannen

Boven: kringspier ontspannen โ†’ lens plat (veraf kijken). Onder: kringspier aangespannen โ†’ lens bol (dichtbij kijken).

Bijziend en verziend

Bijziend

  • Dichtbij goed zicht, veraf niet
  • Ooglens is te sterk
  • Beeld valt vรณรณr het netvlies
  • Corrigeren met negatieve (holle) glazen

Verziend

  • Veraf goed zicht, dichtbij niet
  • Ooglens is te zwak
  • Beeld valt achter het netvlies
  • Corrigeren met positieve (bolle) glazen
Ezelsbruggetje
Bijziend = dichtbij goed โ†’ bol = te veel โ†’ hol glas nodig (negatief).
Verziend = veraf goed โ†’ te weinig โ†’ bol glas nodig (positief).
Bijziend en verziend - normaal zicht, verziendheid met bolle lens, bijziendheid met holle lens

Boven: normaal zicht (beeld op netvlies). Midden: verziendheid (beeld achter netvlies) โ†’ correctie met bolle lens. Onder: bijziendheid (beeld vรณรณr netvlies) โ†’ correctie met holle lens.

Kegeltjes en staafjes

๐ŸŽจ Kegeltjes

  • Kleuren zien
  • Gebruik je overdag (bij veel licht)

๐ŸŒ™ Staafjes

  • Zwart, wit en grijs zien
  • Zeer gevoelig voor licht, gebruik je 's nachts
Must know โ€” Samenvatting zien
  • Licht komt via hoornvlies en pupil het oog binnen.
  • Het netvlies bevat kegeltjes (kleuren) en staafjes (zwart/wit/grijs).
  • Via de oogzenuw gaan impulsen naar de hersenen.
  • Accommodatie: ooglens verandert van vorm voor scherp zien.
  • Pupilreflex: regelt hoeveel licht binnenvalt.
  • Bijziend โ†’ holle lens. Verziend โ†’ bolle lens.
Kegeltjes en staafjes op het netvlies

Kegeltjes (groen, kleuren) en staafjes (blauw, zwart-wit) zitten op het netvlies. Via de oogzenuw gaan impulsen naar de hersenen.

๐Ÿ‘‚

5.7 Horen, ruiken, proeven en voelen

Oor, neus, tong en huid

Horen โ€” hoe werkt dat?

1
Geluidstrillingen laten het trommelvlies trillen.
โ†“
2
De trillingen worden doorgegeven aan de drie gehoorbeentjes die de trillingen versterken.
โ†“
3
De trillingen veroorzaken golfjes in het vocht van het slakkenhuis.
โ†“
4
De zintuigcellen in het slakkenhuis worden geprikkeld en geven impulsen af.
โ†“
5
Via de gehoorzenuw komen de impulsen in het gehoorcentrum van de hersenen โ†’ je hoort geluid!

Delen van het oor

Trommelvlies
Vlies dat geluidstrillingen overdraagt aan de gehoorbeentjes.
Gehoorbeentjes
Drie kleine botjes die geluidstrillingen versterken en overdragen.
Slakkenhuis
Holte waarin geluidstrillingen zich via een vloeistof verplaatsen. Bevat de zintuigcellen voor gehoor.
Buis van Eustachius
Opening naar de keelholte waarmee de luchtdruk in het oor geregeld wordt.
Evenwichtsorgaan
Helpt je om rechtop te blijven staan. Zit vlak bij het slakkenhuis.
Doorsnede van het oor

Doorsnede oor: oorschelp, gehoorgang, trommelvlies, gehoorbeentjes, slakkenhuis en gehoorzenuw

Gehoorschade

Must know
  • Geluidssterkte wordt gemeten in decibels (dB).
  • Vanaf 80 dB kan er blijvende gehoorschade ontstaan.
  • Gehoorschade = kapotte zintuigcellen in het slakkenhuis.
  • Kapotte zintuigcellen groeien niet meer terug!
Decibelschaal met voorbeelden

Decibelschaal: van vallende speld (0 dB) tot vuurwerk (140 dB). Vanaf 80 dB gevaar voor gehoorschade, bij 120 dB de pijngrens.

Ruiken

De neus beschermt je tegen gevaar (giftige stoffen, bedorven eten).

1
Reukzintuigcellen in het neusslijmvlies worden geprikkeld door geuren.
โ†“
2
De reukzenuw geeft impulsen door aan de hersenen.
โ†“
3
Je neemt de geur waar โ†’ je ruikt!
Doorsnede van de neus

Doorsnede neus: reukzintuigcellen in het neusslijmvlies geven via de reukzenuw impulsen door aan de hersenen

Proeven

1
Smaakzintuigcellen zitten in groepjes bij elkaar in smaakpapillen op de tong.
โ†“
2
De smaakzintuigcellen worden geprikkeld (zoet, zuur, zout, bitter, umami).
โ†“
3
Impulsen gaan via het smaakzintuig naar de hersenen โ†’ je proeft!
Tong met smaakpapillen

De tong met smaakpapillen โ†’ ingezoomd op een smaakpapil โ†’ smaakzintuigcellen voor zoet, zout, zuur, bitter en umami

Voelen โ€” de huid

Functies van de huid

Must know โ€” Drie lagen van de huid
1
Opperhuid
buitenste laag
2
Lederhuid
middelste laag
3
Onderhuids bindweefsel
onderste laag
Doorsnede van de huid

Doorsnede huid: opperhuid (bovenste laag), lederhuid (met bloedvaten en zenuwuiteinden) en onderhuids bindweefsel (onderste laag)

Brandwonden

Een brandwond beschadigt de huid. Hoe dieper de brandwond, hoe ernstiger.

1e graads
Alleen de opperhuid is beschadigd. Rood en pijnlijk (bijv. zonverbranding). Geneest vanzelf.
2e graads
Opperhuid en een deel van de lederhuid zijn beschadigd. Blaren, erg pijnlijk. Geneest meestal vanzelf.
3e graads
Alle huidlagen zijn beschadigd. Wit of zwart van kleur. Vaak geen pijn omdat de zenuwuiteinden kapot zijn. Geneest niet vanzelf, heeft medische behandeling nodig.
Must know โ€” Wat doe je bij een brandwond?
Direct koelen met lauw stromend water (ca. 20ยฐC) gedurende minimaal 10 minuten. Niet te koud water gebruiken. Geen ijs! Bij ernstige brandwonden: 112 bellen.
๐Ÿ“–

Begrippenlijst

Alle belangrijke termen op een rij
Accommoderen
De ooglens verandert van vorm zodat je scherp kunt zien (platter = veraf, boller = dichtbij).
Bewegingszenuwcel
Zenuwcel die impulsen van schakelzenuwcellen doorgeeft aan spiercellen.
Bewust gedrag
Gedrag waarbij je nadenkt en een bewuste beslissing neemt.
Bijziend
Dichtbij goed zien, veraf niet. Ooglens te sterk, beeld valt vรณรณr het netvlies. Corrigeren met holle glazen.
Blinde vlek
Plek op het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat. Geen zintuigcellen, dus kun je hier niet zien.
Brandwond
Beschadiging van de huid door hitte. 1e graads = opperhuid, 2e graads = ook lederhuid, 3e graads = alle lagen.
Buis van Eustachius
Opening van het oor naar de keelholte, regelt de luchtdruk in het oor.
Centraal zenuwstelsel
Hersenen + ruggenmerg samen.
Communiceren
Een boodschap overbrengen op iemand anders (praten, gebaren, lichaamshouding).
Decibel (dB)
Eenheid waarmee geluidssterkte wordt gemeten. Vanaf 80 dB kan blijvende gehoorschade ontstaan.
Evenwichtsorgaan
Orgaan bij het oor dat je helpt rechtop te blijven staan.
Fijne motoriek
Het precies afstemmen van spierbewegingen, geregeld door de kleine hersenen.
Gedrag
Alles wat je doet in reactie op je omgeving of op je eigen lichaam.
Gehoorbeentjes
Drie kleine botjes in het oor die geluidstrillingen versterken en overdragen.
Gehoorzenuw
Zenuw die impulsen van het slakkenhuis naar het gehoorcentrum van de hersenen stuurt.
Gevoelszenuwcel
Zenuwcel die impulsen van zintuigen ontvangt en doorgeeft aan schakelzenuwcellen.
Glasachtig lichaam
Geleiachtige vulling van het oog die het oog in vorm houdt en licht doorlaat.
Grote hersenen
Linker- en rechterhelft. Bewuste verwerking: denken, waarnemen, geheugen, emoties.
Harde oogvlies
Stevige witte buitenlaag van het oog ter bescherming.
Hersenstam
Verbindt ruggenmerg met hersenen. Regelt ademhaling, hartslag en lichaamstemperatuur (zelfstandig).
Hoornvlies
Doorzichtig voorste deel van het oog. Laat licht door.
Impuls
Een signaal dat door zintuig- en zenuwcellen wordt doorgegeven.
Iris
Het gekleurde deel van het oog dat de grootte van de pupil regelt.
Kegeltjes
Zintuigcellen op het netvlies voor kleurenzicht. Werken bij daglicht.
Kleine hersenen
Stemmen spierbewegingen op elkaar af โ†’ fijne motoriek.
Lederhuid
Middelste laag van de huid.
Leren
Door ervaringen nieuwe kennis opdoen waardoor gedrag verandert.
Netvlies
Laag achterin het oog met kegeltjes en staafjes die licht opvangen.
Onderhuids bindweefsel
Onderste laag van de huid.
Onbewust gedrag
Gedrag dat automatisch gaat, zonder dat je erover nadenkt.
Ooglens
Buigt het licht en kan van vorm veranderen (accommoderen) voor scherp zien.
Oogspieren
Spieren waarmee je je ogen in verschillende richtingen kunt draaien.
Oogzenuw
Zenuw die impulsen van het netvlies naar de hersenen stuurt.
Opperhuid
Buitenste laag van de huid.
Prikkel
Verandering die je waarneemt in de omgeving of in je eigen lichaam.
Pupil
Opening in het oog waardoor licht binnenkomt. Wordt groter of kleiner (pupilreflex).
Pupilreflex
Automatische reactie waarbij de pupil groter of kleiner wordt afhankelijk van de hoeveelheid licht.
Reflex
Snelle, automatische reactie ter bescherming tegen verwondingen. Via ruggenmerg, niet via hersenen.
Reukzenuw
Zenuw die impulsen van reukzintuigcellen naar de hersenen stuurt.
Reukzintuigcellen
Zintuigcellen in het neusslijmvlies die geuren waarnemen.
Ruggenmerg
Dikke bundel zenuwcellen die de hersenen verbindt met het lichaam. Geeft impulsen door.
Schakelzenuwcel
Zenuwcel die impulsen ontvangt van gevoelszenuwen en doorstuurt naar de juiste plek.
Slakkenhuis
Holte in het oor waarin trillingen zich via vloeistof verplaatsen. Bevat zintuigcellen voor gehoor.
Smaakpapillen
Groepjes smaakzintuigcellen op de tong.
Sociaal gedrag
Gedrag tussen soortgenoten: je reageert op anderen en zij op jou.
Staafjes
Zintuigcellen op het netvlies voor zwart/wit/grijs. Zeer lichtgevoelig, werken 's nachts.
Trommelvlies
Vlies in het oor dat geluidstrillingen overdraagt aan de gehoorbeentjes.
Vaatvlies
Laag met bloedvaten in het oog, voorziet het oog van voedingsstoffen.
Verziend
Veraf goed zien, dichtbij niet. Ooglens te zwak, beeld valt achter het netvlies. Corrigeren met bolle glazen.
Zintuigen
Orgaantjes waarmee je informatie vanuit je omgeving en lichaam waarneemt.
Zintuigstelsel
Alle zintuigen van je lichaam samen.